Nieuws door de Redactie

‘Jeugdhulpverleners en leerkrachten moeten nauwer samenwerken’

Dat is het belangrijkste advies van Kwartiermaker René Peeters die in opdracht van de Coalitie Onderwijs, Zorg en Jeugd de knelpunten in de aansluiting tussen deze domeinen onderzocht.

Het resulterende rapport Mét andere ogen is inmiddels door Ministers Slob (Onderwijs) en De Jonge (VWS) aan de Tweede Kamer aangeboden.

Kwartiermaker Peeters geeft de stakeholders in politiek, onderwijs en zorg de volgende adviezen mee (pp. 5-6):

  • Het verbreden van teams (interprofessioneel). Om tijdig de goede inschatting te maken van wat een kind nodig heeft en waar nodig laagdrempelige ondersteuning te bieden, is het van belang de juiste expertise voorhanden te hebben, dichtbij het kind. De leerkracht kan dit niet altijd alleen, het verbreden van teams met andere expertises is van belang. De samenstelling van de bredere teams zal overal anders zijn, en moet daarom op microniveau worden bepaald. Investeren in kwaliteit en expertise aan de voorkant leidt tot preventie in twee richtingen: meer lichte in plaats van zware jeugdhulp en versnelde opschaling bij ernstige problematiek.
  • Inperken vrijstellingen op basis van artikel 5a. Uit de praktijk blijkt dat de vrijstellingen op basis van artikel 5a (wanneer een kind psychisch of lichamelijk ongeschikt is om onderwijs te volgen) leiden tot perverse prikkels en verkeerd worden gebruik. Om dit aan banden te leggen adviseren we om het vierogen-principe te omarmen en het uitgangspunt ‘nee, tenzij’ te hanteren.
  • Betrekken ouders en kinderen is essentieel om resultaat te behalen. Om tot een effectieve aanpak te komen en/of een passende plek te vinden voor het kind, is de betrokkenheid van ouders en kind essentieel. Het gaat immers om de kinderen en hun ouders. Als zij niet achter de aanpak staan of ontevreden zijn over de plek, dan is het geen duurzame oplossing. Ouders hebben veel expertise als het gaat om de omgang met hun kind, dit wordt niet altijd voldoende benut. Anderzijds wordt er in sommige situaties juist teveel op ouders geleund.
  • Brede lokale afspraken over jeugd onder regie gemeente. Elke gemeente zou met de betrokken partijen moeten komen tot een gezamenlijk gedragen visie over de jeugd, vertaald naar heldere afspraken en resultaten. Deze basisafspraken fungeren vervolgens als ‘grondwet’ voor alle afspraken die gemaakt worden. Uit de gespreksronde blijkt dat men de gemeente de aangewezen partij vindt om de verbindende regisseur (niet hiërarchisch) hierin te zijn. Dit vraagt grote aandacht voor de kwaliteit van de regie van gemeenten. Belangrijke partijen die vaak onderbelicht blijven, zijn kinderopvang, mbo, jongerenwerk, zorgverzekeraars en zorgkantoren.
  • Monitoring op het niveau waarop gezamenlijke afspraken zijn gemaakt. Goede gezamenlijke monitoring leidt tot lerende organisaties. Monitoring moet betrokkenen raken! De indicatoren moeten samen worden bepaald, zodat uitkomsten van de monitor bijdragen aan het gezamenlijke leerproces.
  • Budgetten en beleid moeten poreuze randen hebben. Er is behoefte aan flexibiliteit en snelheid in klemmende situaties. De wens is om lager in de organisatie mensen met mandaat te hebben om maatwerk snel te leveren. Hiervoor is flexibele financiering nodig. Een deel van de onderwijs- en zorgbudgetten moet gezamenlijk ingezet kunnen worden.
  • Coalitie omvormen: van denken naar DOEN. De coalitie moet dienend zijn aan de werkvloer. Dit vraagt om een kanteling en een verbreding van de coalitie. De coalitie kan met het uitvoeringsprogramma bijdragen aan de beweging in het werkveld. Om de coalitie meer slagkracht te geven is er meer eigenaarschap nodig, een trekker, een kerngroep die bijdraagt aan het naleven van de adviezen en meer focus op afspraken en resultaten. Hierbij is het van belang om de activiteiten in samenwerking en afstemming met het programma Zorg voor Jeugd en afspraken rond het thuiszitterspact op te pakken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *