Artikelen door Gastauteur

Boos op de hele wereld, maar vooral bezorgd om zijn moeder… (Deel 2)

Door: Nicoline den Ouden, voorheen jeugdbeschermer, nu coördinator complexe casuïstiek bij Jeugdbescherming west

Dit is het tweede deel in een serie. Lees deel 1 hier.

‘Ramon maakt een positieve ontwikkeling door bij ons. De structuur, duidelijke regels en grenzen doen hem goed. Hij leert steeds beter om te gaan met zijn emoties en leert deze te herkennen. We zijn hard aan de slag gegaan met zowel hem als zijn gezinssysteem. Aan liefde geen gebrek, maar we maken ons over de thuissituatie wel zorgen. Beide ouders zitten qua leerbaarheid aan het plafond. Wat maakt dat wanneer Ramon weer thuis zou gaan wonen de kans op vervallen in oud gedrag en negatieve gezinspatronen zeer groot zal zijn, met alle gevolgen van dien.’

Dit zijn de woorden van de behandelcoördinator van de gesloten jeugdzorginstelling waar Ramon op dat moment al een half jaar verbleef. In het begin vond hij het daar vreselijk en waren er incidenten. Een goed contact met zijn mentor en bijbehorende coachende mentorgesprekken hebben er echter voor gezorgd dat hij zich herpakt heeft.

Uitnodiging om langs te komen

Als ik hem in die de eerste paar weken opbelde op de groep, hing ik steevast zonder hem gesproken te hebben weer op. Maar op een bepaald moment nodigde hij mij uit. Allereerst om zijn excuses te kunnen maken (hij had nogal lelijk tegen mij gedaan tijdens een bezoek), maar ook om te vertellen dat hij er echt het beste van wilde maken. Hij was vast van plan om zoveel mogelijk startkwalificaties te halen op de school en hij gaf aan meer rust te hebben ‘omdat alles hier zo duidelijk is.’ Toch was het niet alleen maar prettig. Hij was kwetsbaar. Er waren een paar ‘zware jongens’ op zijn groep die geen kans onbenut lieten om misbruik van hem te maken. Hij hield zich staande, maar wilde wel graag van mij horen wanneer hij weer naar huis mocht.

Naar huis, naar zijn vader, zijn moeder met NAH (niet-aangeboren hersenletsel) en zijn vier jaar jongere broertje Paul, zat er eigenlijk niet meer in. Dat was de droevige conclusie van de behandelplanbespreking. Een conclusie die ik al een beetje vermoedde aangezien ik dit gezin inmiddels een tijd kende. Ik moest op zoek naar een plek waar Ramon zou kunnen gaan verblijven. Iedereen wilde dat het een plek zou zijn in de buurt van zijn ouders, waardoor hij zoveel mogelijk thuis zou kunnen zijn. Alleen… die plek was er niet. Niet binnen nu en een paar maanden.

Wat is er nodig om thuis te wonen?

Gedesillusioneerd en moe van het zoeken naar een goede plek voor Ramon, besprak ik het gezin weer eens met mijn team. Wat moest ik nou doen? Een collega, die waarschijnlijk door dezelfde desillusie gedreven was, opperde het idee om op papier te zetten wat er nodig zou zijn om het thuis wonen te laten slagen. Eerst wuifde ik het weg; het kón immers niet. Uitgebreid onderzoek had dat uitgewezen. Maar de gedachte verdween niet. En zo kwam het dat ik uitwerkte wat er minimaal nodig was om weer thuis te kunnen wonen.

Dat was nogal wat, want het moest veilig zijn én blijven voor alle familieleden. Achter de schermen werkte ik aan het plan. En toen ik redelijk scherp had wat er nodig was, deelde ik het plan met de andere professionals. Niet iedereen reageerde enthousiast en het leidde zelfs tot heftige discussies. De kans op herhaling was immers groot en de vraag of we het gezin hier nu juist voor zouden moeten beschermen, kwam naar voren. Tegelijkertijd was er wel degelijk iets veranderd bij Ramon en zou hij keihard z’n best gaan doen wanneer hij wist dat hij weer thuis zou mogen wonen. Hij wist nu immers wat hij op het spel zette. We besloten het een kans te geven…

Geen knuffel maar een box met een vette knipoog

Eerst vertelde ik het plan aan zijn ouders. Daarna vertelden we het met elkaar aan Ramon en zijn broertje Paul. De sfeer was een mix van geluk en spanning, want natuurlijk voelden zij diezelfde spanning ook. Zou het wel goed gaan? Door alles wat er gebeurd was, durfde niemand meer echt met vertrouwen naar de toekomst te kijken. Hopen dat het goed zou gaan, was het enige wat we met elkaar konden doen, maar die hoop zou later de katalysator blijken voor het succes.

De hulpverleningsorganisatie die al veel betrokken was bij het gezin vanwege de begeleiding aan de moeder, had samen met mij een hulpverleningsaanbod gecreëerd en mensen vrijgemaakt die ook begeleidingstaken richting Ramon en Paul op zich konden nemen. Ze zouden er iedere dag zijn. Daarnaast moest Ramon aan een aantal voorwaarden voldoen: hij zou geen drugs mogen gebruiken, hij mocht geen politiecontacten hebben, hij mocht geen geweld gebruiken tegen familieleden, hij mocht maar een paar avonden per week naar buiten en hij moest zijn opleiding afmaken.

Toen ik deze bodemeisen met Ramon besprak, begon hij te glimmen en zei: ‘Ik kan het, ik weet het zeker! Als dit het is Nicoline, ik weet het zeker, ik zweer het je!’ In z’n enthousiasme en energie sprong hij op en wilde hij me omhelzen, maar net op het laatste moment herstelde hij zich. Knuffelen met je jeugdbeschermer is niet bepaald cool. Een box kon ik krijgen, maar wel eentje mét vette knipoog.

Met vereende krachten

We haalden drugstesten in huis. Zijn vader regelde een werkplek voor Ramon waar hij zulk zwaar werk moest doen dat hij na het avondeten het nog net redde om richting z’n bed te strompelen (en daardoor dus niet tot laat op straat kon hangen). We hadden nauw contact met zijn mentor en zorgcoördinator van school. De wijkagent wist van ons plan en hield een oogje in het zeil en de persoonlijk begeleider ondersteunde Ramon in zijn dagelijkse bezigheden. Waar het op neerkwam, was dat met vereende krachten deze kinderen opgevoed werden door anderen, maar mét behoud van hun gezinssituatie en hun ouders die qua opvoeding en leerbaarheid aan hun plafond zaten.

Ging het altijd goed? Nee, natuurlijk niet. Toen de wittebroodsweken voorbij waren, vervielen álle gezinsleden weer in oud gedrag en moest de hulpverlening alle zeilen bij zetten om dichtbij het oorspronkelijke plan te blijven. Regelmatig werd ik extra ingevlogen om als een soort ‘extern gezag’ streng op te treden. Het was niet alleen Ramon die af en toe bijgestuurd moest worden, ook zijn ouders hadden de nodige problemen die voor onrust zorgde. Soms schoven onze grenzen op. Daar discussieerden we dan veel over met elkaar als hulpverleners, samen met de ouders.

Vertrouwen in elkaar

Maar wanneer is ook de opgeschoven grens bereikt? Zeker in de beginperiode stonden behalve de gezinsleden ook de professionals onder hoogspanning. Aan mij de taak om zaken te normaliseren. Zo was er een keer paniek in het gezin, want Ramon was in aanraking geweest met de politie. Een vriend zonder licht op z’n fiets was aangehouden. Ramon nam het voor z’n vriend op met een veel te grote mond en kreeg uiteindelijk een bon. Hij zat gigantisch in de piepzak over wat ik nu zou gaan doen. Of die keer dat tijdens het stoeien met zijn broertje de arm van zijn broertje brak en Ramon bang was dat ik dacht dat dit met opzet gebeurd zou zijn. Vertrouwen in elkaar dat fouten maken mag, moest nog groeien. Maar we hebben ook veel gelachen met elkaar en successen groots gevierd.

Ramon was op stoom op school en behaalde niet alleen niveau 1, maar ook niveau 2. Zelden heb ik iemand zo trots gezien. Paul bloeide door de begeleiding op en kwam zo meer toe aan zijn eigen ontwikkeling. Hun ouders gingen de confrontatie over hun eigen tekortkomingen niet langer uit de weg en ‘ontschuldigden’ daarmee de jongens. De situatie normaliseerde met af en toe een uitspatting die we dan oplosten met elkaar. Dit soort plannen maak je niet voor even. Dit zijn jarenlange trajecten; levensloopjeugdzorg als ’t ware. Je moet doen wat wérkt! En dit werkt voor dit gezin; zo kunnen zij een gezin blijven. Het is niet makkelijk, want je levert een hoop autonomie in als gezinsleden. En als betrokken hulpverleningsorganisatie moet je het aan durven gaan om vast te blijven houden in zo’n dynamisch gezin.

Achttien en dan?

Ramon werd achttien. Vanaf toen zat hij niet meer bij de familiegesprekken, want dat hoefde immers niet meer. Naar dit moment had hij, naar eigen zeggen, al jaren uitgekeken. Ik kwam nog wel regelmatig langs en het plan bleef overeind, maar nu voor zijn broertje Paul. Toen ik een keer na een gesprek naar mijn auto liep, trof ik Ramon met de hond. Ik had hem al een half jaar niet meer gezien. ‘Hoe is het?’ vroeg ik hem. ‘Ja goed,’ zei hij quasi nonchalant. ‘Fijn!’ zei ik en Ramon liep door, maar toen draaide hij zich om. ‘Het gaat écht goed, Nicoline,’ bevestigde hij nog een keertje. Alleen nu harder en duidelijker. ‘Je wilt niet weten hoe blij ik daarmee ben,’ zei ik. En met een duimpje in de lucht wandelde hij rustig door…

Dit verhaal is sterk gebaseerd op de waarheid, maar natuurlijk in verband met de privacy hier en daar aangepast.

Dit artikel verscheen eerder op Jbwest blogt.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *